1. Introductie
Er is in Europa een interessante ontwikkeling gaande. Op 12 februari is het laatste deel van de Europese verordening 2024/1309 van kracht geworden. De verordening heeft als doel het verlagen van de kosten van de uitrol van hoge snelheid internet aansluitingen. De verordening staat bekend onder de naam Gigabit Infrastructure Act (GIA). In de GIA worden aan de Europese lidstaten meerdere maatregelen opgelegd die vertaald moeten gaan worden in nationale wetgeving. In dit artikel besteden we extra aandacht aan van de verordening. Artikel 10 gaat over nieuwbouw en renovatie van meergezinswoningen, ook wel: appartementencomplexen.
De reden voor deze extra aandacht is zowel simpel als complex. De simpele reden: Deze verordening steunt het idee dat we bij Integrio al lang hebben over hoe je slimmer sociale huurwoningen in appartementencomplexen van internet kunt voorzien.
De complexe reden: zoals altijd bij dit soort Europese verordeningen zijn alle lidstaten verplicht om deze om te zetten in nationale wetgeving. En daar komt altijd een stuk interpretatie bij kijken. Wij zijn van mening dat wat er nu op tafel ligt als voorstellen voor de aanpassingen van de Nederlandse wetgeving, geen recht doet aan de intentie van artikel 10 van de verordening. En dat stellen we graag ter discussie.
We zullen dat doen door zoveel mogelijk invalshoeken te belichten. We beginnen daarom met het beschrijven van een stuk historie van het ontstaan van de communicatienetwerken in Nederland. Daarna zullen dieper duiken in de Europese verordening zelf. We kijken naar hoe het proces van implementatie van een Europese verordening normaal gaat en beoordelen de voorstellen voor aanpassingen van Nederlandse wet- en regelgeving. Ook bekijken we de impact van de verordening vanuit het oogpunt van alle stakeholders. Wat verandert er voor hen volgens de letter van de verordening (en dus niet van de wet).
Als laatste beschrijven we hoe wij de gevolgen zien van de verordening voor de nieuwbouw en renovatie van appartementencomplexen in Nederland.
Wij hopen hiermee een beeld te schetsen van hoe het ook kan. En wat ons betreft zelfs: hoe het beter kan.
Mocht u na het lezen nog vragen hebben, dan gaan wij graag met u in gesprek.
2. Een stukje historie
Is internet een nutsvoorziening? Als je deze vraag aan Google stelt, krijg je tegenwoordig een mooi, door AI gegenereerd antwoord terug.
“Ja, internet wordt steeds vaker gezien als een nutsvoorziening, net als water, elektriciteit en gas. Hoewel het niet officieel een “nutsvoorziening” is in de strikte juridische zin, wordt het wel steeds meer als een essentiële dienst beschouwd, cruciaal voor deelname aan de samenleving en economie.”
Nu ben ik het volledig eens met het deel van de formulering van de essentiële dienst, maar bij de rest van de formulering plaats ik, net als Google AI, wat kanttekeningen. Zoals mijn geschiedenisleraar vroeger al zei, kun je het heden beter begrijpen als je het verleden kent. Om die reden duiken we nog even in het verleden van de netwerken in Nederland.
De netwerken in Nederland
Het telefoonnetwerk
Als je in 1880, de periode dat de eerste telefoonverbindingen in Nederland werden gerealiseerd, infrastructuur voor telefonie wilde aanleggen, moest je daarvoor al een vergunning aanvragen bij het Rijk. Onderdeel van deze vergunning was het voorrangsrecht op overname van de infrastructuur waar de vergunning voor afgegeven was. Dit voorrangsrecht gaf de overheid een optie om het netwerk ooit in de toekomst te kopen. De netwerken waren in eerste instantie dus niet in overheidshanden. In 1897 nam het Rijk op grond van het eerdergenoemde voorrangsrecht, het interlokale telefoonnetwerk van de eerste Nederlandse telefoonmaatschappij, de NBTM over en in 1913 begon het Rijk met het overnemen van de lokale telefoonnetten. De overheidsdienst die de vergunningen uitgaf, werd in 1915 omgevormd tot het Staatsbedrijf der Posterijen en Telegrafie welke op haar beurt in 1928 werd omgedoopt tot Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, de PTT.
Alle lokaal aangelegde netwerken behalve die van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag waren op dat moment al van het Rijk. De laatste 3 waren te duur gebleken voor het Rijk om over te nemen. In 1940 werden ook de laatste 3 netwerken door de Duitse bezetter toegevoegd, waarna de Duitsers ook meteen de PTT verzelfstandigden. De verzelfstandiging werd meteen na de oorlog weer teruggedraaid, maar de overname van laatste 3 zelfstandige lokale netwerken is nooit meer teruggedraaid. Daarmee was voor het eerst het complete telefonienetwerk in Nederland in handen van het Rijk. Volgens de oude Telecomwet bleef het mogelijk dat het Rijk een concessie zou verlenen aan een derde om een telefonie- en telegraafnetwerk aan te leggen, maar deze concessies zijn na 1945 nooit meer verleend. De PTT had sindsdien in de praktijk dus het alleenrecht, maar kreeg daarmee ook de verplichting om telefoonkabels aan te leggen naar alle woningen in Nederland. Toen in 1989 de PTT privatiseerde, bleef dat ook zo. De verplichting tot aanleggen bleef weliswaar nog even gehandhaafd, maar de KPN was geen staatsbedrijf meer.
Het coax-netwerk
Bij het coaxkabel netwerk, zijn een hoop parallellen te zien. Deze netwerken werden in eerste instantie ook lokaal aangelegd alleen begon dit wel veel later. Vanaf 1970 kon een machtiging worden aangevraagd voor de aanleg en exploitatie van een gemeenschappelijke antenne-inrichting (een gai, een televisienetwerk bestemd voor een kleine groep woningen) of voor de aanleg en exploitatie van een centrale antenne-inrichting (cai, een televisienetwerk bestemd voor wijken, plaatsen of hele gemeenten). Een gai mocht in principe niet groter zijn dan 100 aansluitingen en na het kruisen van een weg mocht het signaal niet meer worden versterkt. Een cai was beperkt tot de gemeentegrens. Gedurende de jaren 70 en 80 werden in vrijwel alle gemeenten één of meer kabelnetten aangelegd; maar per aansluitgebied werd slechts één machtiging aan een woningcorporatie, gemeente of bedrijf verleend. Geleidelijk aan kwamen de kabelnetten in exploitatie bij gemeentelijke diensten. Vaak doordat woningcorporaties hun gai’s overdroegen aan gemeenten. Halverwege de jaren 90 verkochten de meeste gemeentes op hun beurt de televisienetwerken aan private kabelbedrijven. Er moest flink geïnvesteerd worden in de netwerken en de gemeentes hadden daar gewoonweg de middelen niet voor. Deze investeringen leidden er ook toe dat het netwerk veranderde van een broadcast-infrastructuur tot een volwaardige infrastructuur waarop ook tweeweg communicatie mogelijk werd. En zo ontstond een tweede netwerk in ieder huis waarop internettoegang mogelijk was. En ook deze was in handen van private marktpartijen.
Binnen een periode van 10 jaar, was de overheid de controle over de communicatienetwerken volledig kwijt. De vrije marktwerking nam het over en alleen de schijn van nutsvoorziening bleef.
Nederlandse regulering
Maar hoe kan internet dan nog een nutsvoorziening genoemd worden? Geen partij heeft de verplichting een communicatiekabel aan te leggen naar alle woningen in Nederland en de netwerkeigenaren zijn al jaren private bedrijven met een winstoogmerk.
Bedrijven die netwerken aanleggen, gedragen zich dus helemaal niet als een nutsleverancier. De enige reden dat we internet in één adem noemen met elektra en water als we het hebben over nutsvoorzieningen, is dat we internet als een cruciale dienst zien. Maar eigenlijk is internet beter te vergelijken met eten en drinken. Weliswaar cruciaal, maar een basisbehoefte die mensen zelf regelen.
Dit zagen we in Nederland natuurlijk ook en dat is dan ook de reden geweest dat we de overheid vanaf de tijd van privatisering van de PTT, het moment dat de overheid het eigendom overdroeg van het kopernetwerk dat op dat moment naar alle huizen in Nederland liep, eisen heeft gesteld aan de wijze waarop de netwerken gebruikt mochten worden. Het begin van de regulering.
Met de introductie van glasvezel vanaf 2005, ontstaat er op steeds meer plaatsen een goed alternatief voor het oude kopernetwerk. Glasvezel wordt in eerste instantie door nieuwkomers aangelegd. In Nuenen wordt een Coöperatie opgericht die het merendeel van de huizen in de gemeente aansluit op glasvezel. Eén van de lening verstrekkers is de holding van Reggeborgh, waar ook aannemer Volker Wessels onder valt. In 2008 wordt Reggefiber opgericht, een joint venture van Reggeborgh en KPN. De aanleg van glasvezel naar woningen komt hiermee in een stroomversnelling. Logischerwijs besloot de overheid op een gegeven moment om de verplichting om een koperkabel naar elke woning te leggen te laten vervallen.
Er is sinds dat moment dan ook geen enkele partij verplicht om alle huizen van wat voor netwerkkabel dan ook te voorzien. Dit laten we over aan de markt. En logischerwijs resulteert het winstoogmerk van marktpartijen erin, dat partijen graag glasvezel naar binnen brengen waar dit relatief goedkoop is, maar de duurdere plekken, liever overslaan. In goedkope gebieden leidt dit er soms zelfs toe dat er 2 glasvezels van verschillende netwerkeigenaren naar een woning worden gebracht, terwijl in duurdere gebieden niets wordt aangelegd. Soms wordt de bewoners van de duurdere gebieden gevraagd om zelf een eenmalig bedrag mee te betalen om de aanleg betaalbaar te maken. Pas als een kabel uiteindelijk bij een huis naar binnen is gebracht, ontstaat er op die kabel een gezonde vorm van concurrentie met verschillende aanbieders. Uiteraard geldt dit niet voor de kabel van Ziggo, want Ziggo staat geen concurrentie toe op haar netwerk. Maar op de glasvezelkabel in huis geldt dat wel. En tussen de aanbieders op de glasvezelkabel en Ziggo uiteraard ook. De ene aanbieder wil de goedkoopste zijn, de ander de meest complete en weer een ander de leukste, waar iedereen bij wil horen.
Die concurrerende aanbieders op glasvezel, hebben echter één ding gemeen, ze huren de netwerkkabel van de partij die het voor elkaar heeft gekregen, om met zijn kabel binnen te komen in de woning. En die netwerkeigenaar is in Nederland in nagenoeg alle gevallen een commerciële marktpartij. Een partij die winst probeert te maximaliseren. En dat is dan de basis van wat wij hier de nutsvoorziening noemen. “Een essentiële dienst of infrastructuur die nodig is om een woning of huishouden te laten functioneren.”
Europese inmenging
Je zou kunnen denken dat bovenstaande een goede reden zou zijn voor Europa om zich er mee te gaan bemoeien. Immers, op deze manier ontstaat er geen eerlijk speelveld. Er is wel marktwerking in Nederland, maar eigenlijk alleen op diensten niveau. Op netwerk niveau bestaat er eigenlijk een monopoly. Partijen in Nederland die het aandurven om de zeer competitieve internet providermarkt te betreden, zijn overgeleverd aan de netwerkeigenaren. Die partij die het voor elkaar heeft gekregen om als eerste glasvezel aan te leggen in een straat, wijk of stad, kan deze verbinding naar eigen inzicht exploiteren. En dat doen ze dan ook op verschillende manieren. Zo kiest Ziggo ervoor om helemaal geen concurrentie toe te staan op het netwerk. Partijen als Delta staan wel concurrenten toe, maar die moeten dan wel een belichte glasvezel huren. Nieuwe toetreders ervaren de huur van deze belichte vezel als hoog, zeker wanneer ze het vergelijken met het huismerk van Delta zelf. Dan is er nog KPN, op de oudere gebieden is het wel mogelijk om vezels van wijkcentrale naar woning onbelicht te huren, maar deze contracten worden nog maar zelden aangegaan door KPN. En op nieuwe gebieden worden de wijkcentrales zo gebouwd, dat het niet meer mogelijk is om zelf belichtingsapparatuur te plaatsen.
Zoals ik al schreef, voldoende reden voor Europa om zich te mengen in deze meervoudige monopoly’s zoals ik ze graag noem. Toch is dit niet de reden dat er op Europees niveau naar de hoge snelheid netwerken is gekeken. Want heel eerlijk, zo slecht is het in Nederland eigenlijk niet. Een hoog percentage van inwoners en bedrijven hebben immers al toegang tot deze netwerken. Nee, de reden is eigenlijk geweest omdat er Europese lidstaten zijn, waar toegang tot hoge snelheid internet veel minder vanzelfzelfsprekend is. Toch zullen er ook in die landen netwerken worden aangelegd.
De Europese verordening heeft als doel het verlagen van de kosten van de uitrol van deze hoge snelheid internet aansluitingen en staat bekend onder de naam Gigabit Infrastructure Act (GIA). In de GIA worden aan de Europese lidstaten meerdere maatregelen opgelegd die vertaald moeten gaan worden in nationale wetgeving.
3. Europese Verordening Gigabit Infrastructuur
Over het ontstaan
Vanuit Europa is ten tijde van de Corona pandemie digitalisering hoog op de agenda gekomen. De afhankelijkheid van digitale infrastructuur en technologie werd in de tijd dat iedereen van de ene op de andere dag thuis werkte, in één klap duidelijk. In september 2020 kondigde voorzitter Von der Leyen in haar “State of the Union” aan dat Europa zijn digitale soevereiniteit moet veiligstellen en als gevolg daarvan is in december 2022 het beleidsprogramma voor het digitale decennium tot 2030 vastgesteld. Er zijn in die periode vier doelen vastgesteld waar programma’s voor uitgewerkt moesten gaan worden: 1. Een digitaal vaardige bevolking en hooggekwalificeerde digitale professionals 2. Beveiligde, goed presterende en duurzame digitale infrastructuur 3. Digitale transformatie van bedrijven 4. Digitalisering van overheidsdiensten
Het tweede doel, de beveiligde, goed presterende en duurzame digitale infrastructuur is uitgewerkt in de Gigabit Infrastructure Act. Een verordening die er aan moet bijdragen dat alle Europese huishoudens toegang krijgen tot een gigabitnetwerk en alle bevolkte gebieden toegang moeten hebben tot draadloze hogesnelheidsnetwerken van de volgende generatie met prestaties die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van 5G. Om dit te realiseren is er behoefte aan beleid om de uitrol van vaste en draadloze netwerken met zeer hoge capaciteit in de hele Unie te versnellen, te vergemakkelijken en goedkoper te maken.
Hoofdonderdelen GIA
De totale verordening telt ruim 60 pagina’s en levert naast veel open deuren interessante nieuwe inzichten. Logisch natuurlijk want met een verordening als deze, proberen we de wet- en regelgeving in alle Europese lidstaten te harmoniseren. De verordening stelt nieuwe normen over de toegang tot bestaande fysieke infrastructuur (artikel 3) wat zoveel betekent als regels omtrent verplichte wholesale toegang zoals dit vroeger ook gereguleerd was in Nederland. Artikel 4 gaat over transparantie over de fysieke infrastructuur. Waar is welke infrastructuur aanwezig? Iets wat in Nederland grotendeels geregeld is in de WIBON (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken). Termen al kadaster en KLIC komen al gauw naar boven wanneer hier over gesproken wordt. De verordening bepaalt dat er een centraal informatiepunt per lidstaat moet komen waar deze data eenvoudig te raadplegen is. Ook moet er meer samengewerkt bij civiele werken. Hier gaat artikel 5 over. In artikel 6 wordt dan weer gesteld dat er een centraal informatiepunt moet komen waar informatie over uit te voeren civiele werken beschikbaar is. Op deze manier kan er meer samengewerkt worden wat de kosten voor aanleg moet verlagen. Artikel 7 gaat over het landelijk uniformeren van vergunningsprocedures en doorgangsrechten voor de aanleg van netwerken met een zeer hoge capaciteit. Men moet eenvoudig vergunningen kunnen aanvragen en het moet duidelijk zijn hoe lang een vergunningstraject mag duren. In artikel 8 staat beschreven wat er moet gebeuren als er geen tijdig besluit op een vergunningsaanvraag komt en in artikel 9 staat het een en ander aan uitzonderingen benoemd. In artikel 10 wordt beschreven waar een bouwvergunning aan moet voldoen voor alle nieuwe gebouwen en gebouwen die drastisch gerenoveerd gaan worden. Hier komen we in het volgende hoofdstuk nog uitgebreid op terug. Ook artikel 11 gaat over de binnenhuisinfrastructuur, maar dan over billijke, redelijke en niet discriminatoire voorwaarden waaronder dit moet plaatsvinden. Artikel 12 gaat dan nog over het digitaal beschikbaar maken van de centrale informatiepunten en artikel 13, 14 en 15 over geschillenbeslechting en bevoegde instanties en sancties.
Artikel 10: hoogbouw
Zoals eerder benoemd gaat artikel 10 van de verordening over nieuwbouw en renovatie van hoogbouw. In artikel 10 staat dat vanaf 12 februari 2026 elke aanvraag voor een bouwvergunning voor nieuwbouw of ingrijpende renovatie van appartementencomplexen of meergezinswoningen getoetst moet worden aan nieuwe regelgeving. Daarbij geldt dat deze wooncomplexen moeten worden voorzien van binnenhuisinfrastructuur, binnenhuisglasvezelbekabeling, een netwerkaansluitpunt in elke woning en een centrale ruimte waar verbinding gemaakt kan worden met het openbare netwerk (in de verordening wordt gesproken van een toegangspunt).
Voorheen was dat niet zo. Er werden wel buizen aangelegd bij de bouw ten behoeve van datanetwerken, maar dan zaten bijvoorbeeld KPN en Ziggo tijdens het NUTS overleg aan tafel en eigenden zich dan die buizen toe. Soms zelf met een ‘gratis’ Recht van Opstal voor onbepaalde tijd. Als een complex uit 100 appartementen bestond, trokken ze 100 vezels vanaf hun dichtstbijzijnde wijkcentrale naar binnen en monteerden deze af in ieder appartement. Alle concurrentie die dan internet wil leveren aan een bewoner in dat complex, kon dit alleen maar doen door de kabel die vanaf de wijkcentrale naar het appartement liep, te huren van KPN. Daarbij waren ze dan zelf verantwoordelijk voor de verbinding van de wijkcentrale van KPN naar het datacenter waar vandaan zij de hun diensten leverden.
De nieuwe regels veranderen dit speelveld drastisch. De verplicht aan te leggen binnenhuisinfrastructuur, binnenhuisglasvezelbekabeling, het aansluitpunt en het toegangspunt worden tijdens de bouw gerealiseerd en kunnen op het moment dat de bouw is afgerond dan ook eigendom blijven van de eigenaar van het complex. Vergelijkbaar met bijvoorbeeld de belcentrale, de lift en de gangen naar de appartementen. En als we het hebben over de eigenaar van het complex, dan kunnen dat dus ook de woningcorporatie of de VvE zijn.
Elke telecom-aanbieder die diensten wil leveren kan dan zelf een vezel naar het appartementencomplex brengen, waarmee één of alle appartementen van diensten kunnen worden voorzien, naar gelang de bewoners dat wensen. De telecom-aanbieder hoeft hiervoor geen huur meer aan KPN te betalen. De eigenaar van het complex zal weinig of geen huur rekenen voor de inpandige glasvezel, omdat deze toch direct wordt omgeslagen in het abonnementsgeld van de bewoners. Het gevolg is dat de aansluiting voor de bewoners zo 25 euro per maand goedkoper kan worden.
Verplichting lidstaten
De Europese Unie heeft meerdere rechtshandelingen tot haar beschikking. Zo kan zij adviezen geven, besluiten nemen, of verordeningen uitvaardigen. Adviezen zijn niet bindend en besluiten zijn bindend maar alleen voor degene tot wie ze gericht zijn. Alleen Europese verordeningen zijn van algemene toepassing, in al hun onderdelen verbindend en rechtstreeks toepasselijk in alle landen van de Europese Unie (EU). Bij een Europese verordening betekent dit dat deze direct bindend is met een directe werking. Ook al is de verordening nog niet volledig geïmplementeerd in de nationale wet- en regelgeving. Dus ook in Nederland.
4. Implementatie GIA in Nederland
Hoe komt regelgeving tot stand
Wat gebeurt er normaal als er een Europese verordening van kracht wordt. Eigenlijk niet veel anders dan bij andersoortige wetgeving. Het grootste verschil kan zijn dat een Europese Verordening soms deadlines stelt aan wanneer de Nationale wetgeving klaar moet zijn. Maar het proces zelf, is eigenlijk altijd hetzelfde en bestaat uit 5 fases.
- Initiatief en Voorbereiding: Een minister (of soms een lid van de Tweede Kamer) neemt het initiatief voor een nieuw wetsvoorstel. Ambtenaren stellen de wettekst op en voeren eventueel overleg met belanghebbenden.
- Advies van de Raad van State: Het wetsvoorstel wordt voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Dit adviesorgaan controleert of het voorstel juridisch houdbaar is en of het niet in strijd is met hogere wetgeving.
- Behandeling Tweede Kamer: Het wetsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede Kamer. Een gespecialiseerde commissie behandelt het voorstel, waarna een plenair debat volgt. De Tweede Kamer kan het voorstel wijzigen (amendementen) of aannemen/verwerpen.
- Behandeling Eerste Kamer: Na goedkeuring door de Tweede Kamer gaat het voorstel naar de Eerste Kamer. De senatoren toetsen het voorstel vooral op kwaliteit, uitvoerbaarheid en grondwettelijkheid. De Eerste Kamer kan het voorstel alleen aannemen of verwerpen (niet wijzigen).
- Bekrachtiging en Publicatie: Als beide kamers akkoord zijn, ondertekenen de Koning en de verantwoordelijke minister de wet. De wet wordt daarna gepubliceerd in het Staatsblad en treedt vervolgens in werking.
Ondanks dat de Europese Verordening 2024/1309 Gigabit Infrastructure Act al op 29 april 2024 ondertekend is door zowel het Europees Parlement als de Raad, is de wetgeving op het moment dat ik dit schrijf in Nederland nog niet verder dan stap 2.
Dat betekent dat er een concept wettekst is geschreven en dat de markt om input is gevraagd. In dit geval is dit gegaan via internetconsultaties. Er zijn voor de implementatie van de GIA 2 internetconsultaties geweest:
- https://www.internetconsultatie.nl/gigabitinfrastructuurverordening/b1
- https://www.internetconsultatie.nl/uitvoeringswetgia/b1
De eerste gaat over de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Vooral over artikel 10.
De tweede gaat over de wetswijziging van de Telecommunicatiewet.
Wij richten ons vooral op de eerste. Deze ligt nu bij de Raad van State (fase 2 dus). Toch is het interessant om te kijken naar wat er in fase 1 is gebeurd want daar is immers al een concept wettekst ingediend.
Keuzes bij implementatie
Ergens in een kamertje, waarschijnlijk in Den Haag, heeft iemand op basis van de Europese Verordening een aanzet gedaan tot het aanpassen van de Nederlandse wet- en regelgeving om deze aan te laten sluiten bij de verordening. Deze eerste aanzet zal daarna nog meerdere keren zijn aangepast en verbeterd, maar vanaf die eerste poging konden we zeggen: het begin is er.
Er valt echter wat op bij het lezen van de concept regeling van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening tot wijziging van de Omgevingsregeling in verband met de vaststelling van technische specificaties als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de gigabitinfrastructuurverordening.
Laten we eerst nog even kijken naar de essentie van artikel 10 van de verordening. In de basis is deze vrij eenvoudig. Elke nieuw te bouwen of te renoveren appartementencomplex moet worden voorzien van:
- glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur
- binnenhuisglasvezelbekabeling
- een aansluitpunt in de woning
- een toegangspunt onder in het complex
Volgens artikel 2.11 van de verordening is de definitie van het toegangspunt als volgt:
“toegangspunt”: een in of buiten het gebouw gelegen fysiek punt dat toegankelijk is voor ondernemingen die openbare elektronischecommunicatienetwerken aanbieden of gemachtigd zijn die aan te bieden, en waar het netwerk op de glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur kan worden aangesloten;
Oftewel, een invoerpunt waar je als internetaanbieder een netwerkaansluiting naar binnen kunt brengen tot in een ruimte waar je de individuele appartementen kunt aansluiten (patchen) waar mensen wonen die diensten van je willen afnemen.
We kijken hiervoor ook even naar een aantal van de overwegingen van de verordening. In overweging 49 lezen we:
…Om ervoor te zorgen dat meer dan één onderneming eindgebruikers kan bedienen en zo de concurrentie te versterken, moeten toegangspunten van nieuwe meergezinswoningen en meergezinswoningen die het voorwerp uitmaken van ingrijpende renovatiewerken, gemakkelijk toegankelijk zijn voor meer dan één exploitant, zonder buitensporige inspanningen.
Hieruit blijkt duidelijk de intentie van de verordening. Meerdere aanbieders moeten toegang kunnen krijgen met het gevolg is dat er meer concurrentie is. Ook lezen we in overweging 53:
…Zodra het netwerk is aangesloten op het toegangspunt kunnen nieuwe klanten tegen aanzienlijk lagere kosten worden aangesloten, met name door toegang tot een glasvezelklaar verticaal segment in het gebouw, indien dat reeds bestaat. Die doelstelling wordt ook bereikt indien het gebouw zelf reeds is uitgerust met een gigabitnetwerk waartoe onder transparante, evenredige en niet-discriminerende voorwaarden toegang wordt verleend aan elke aanbieder van een openbaar communicatienetwerk met een actieve abonnee in het gebouw.
De intentie hier is ook duidelijk. Omdat niet elke aanbieder zelf de kabels naar elk appartement hoeft aan te leggen (verticaal segment), moet het mogelijk zijn om tegen aanzienlijk lagere kosten klanten aan te sluiten. Het is goed om ons af en toe te realiseren dat deze regels er voor alle lidstaten zijn. En in elke lidstaat is de situatie voorafgaand aan de implementatie anders. In Nederland was het altijd common practice dat bij nieuwbouw, tijdens het NUTS overleg 2 netwerkpartijen aanhaakten, vaak Ziggo en KPN. Tijdens de bouw van het nieuwe complex werden dan altijd al loze buizen aangelegd naar elk appartement (het verticale segment) die kosteloos ter beschikking werden gesteld aan deze partijen. Als in ons voorbeeld een andere dienstenaanbieder dan KPN of Ziggo diensten wil aanbieden, waren er 2 opties:
- Deze partij trekt zelf nieuwe glasvezels naar elk appartement (nieuw verticaal segment). Problemen: geen ruimte beschikbaar onder in het pand, duur om deze aansluitingen te maken. Inefficient want er gaat al een vezel naar boven.
- Deze partij huurt bij KPN of Ziggo de vezel. We weten allemaal dat Ziggo dat niet toestaat, maar ook bij KPN komen we hier niet mee weg. KPN verhuurt namelijk niet alleen de vezel naar het appartement, maar verhuurt bij nieuwbouw alleen de vezel vanaf de dichtstbijzijnde wijkcentrale. En in het geval dat KPN een eigen ruimte onderin het complex heeft waar apparatuur geplaatst is, kun je deze vezel alleen ‘belicht’ huren.
Bovenstaande maakt duidelijk dat de huidige werkwijze niet aansluit bij de verordening. Dat betekent dus dat de Nederlandse wet- en regelgeving inderdaad aanpassingen vereist om een nieuwe werkwijze af te dwingen.
Als we dan kijken naar de vertaling van artikel 10 in de Nederlandse regelgeving, lijkt een aantal intenties uit de overwegingen, niet meegenomen te zijn bij de aanpassing van de Omgevingsregeling. De aanpassingen lijken helemaal geen recht te doen aan de eis dat meer dan één onderneming eindgebruikers kan bedienen. Letterlijk staat de volgende tekst in de Memorie van Toelichting:
… Overigens staat de verordening er niet aan in de weg dat de aanleg van de inpandige glasvezelkabel en het netwerkaansluitpunt plaatsvindt door de aanbieder die voornemens is een elektronisch communicatienetwerk en/of -diensten te gaan aanbieden aan de bewoners van de appartementen.
Hier staat dus eigenlijk dat de KPN’s en Ziggo’s van deze wereld gewoon door kunnen op de oude manier. Technisch gezien, is dit standpunt te verdedigen, maar dan moeten wel de volgende zaken geregeld zijn:
- Het toegangspunt moet wel toegankelijk blijven voor andere aanbieders.
- Er moet ruimte bij het toegangspunt aanwezig blijven voor het plaatsen van eigen apparatuur van ‘gemachtigde telecombedrijven’.
- De vezel die naar het appartement waar een andere aanbieder wil leveren loopt, moet aangesloten kunnen worden op de apparatuur van de aanbieder die zijn diensten wil leveren.
- De kosten voor de huur van de vezel in het verticale segment moeten substantieel lager zijn dan de huur van een reguliere vezel naar een rijtjeswoning om overweging 53 van de verordening te realiseren.
Missende delen in de wetgeving
Op dit moment lijken deze voorwaarden niet geborgd in de nieuwe Nederlandse wet- en regelgeving. Daarmee wordt volgens ons dan ook niet voldaan aan de verordening. Het gevolg daarvan is dat in elk nieuwe appartementencomplex nog steeds een mini-monopoly bestaat. Ziggo zal niet verhuren, KPN alleen tegen landelijk geldende voorwaarden.
Een gemiste kans die tijdens de internetconsultatie al naar boven had kunnen komen. In dat geval had dit ook al in het wetsvoorstel gerepareerd kunnen worden.
Interessant is bijvoorbeeld de reactie van Kences d.d. 9 december 2025. Hieruit blijkt ook dat de wettekst conceptueel niet klopt. Kences schrijft:
Wanneer wij verplicht zouden worden de student de keuze te laten maken uit meer dan een aanbieder, dan zou de interne infrastructuur veel complexer en dus kwetsbaarder worden.
Hieruit blijkt dat Kences bang is verplicht te worden om meerdere partijen inpandig glasvezel te laten aansluiten, terwijl juist de situatie van studentenwoningen een heel mooi voorbeeld is, waar de nieuwe verordening goed kan werken. Wanneer Kences zorgt voor de binnenhuisglasvezelbekabeling in de studentencomplexen, is zij niet verplicht om andere partijen ook het verticaal segment aan te laten leggen, maar is zij slechts verplicht om voor andere partijen 1) een toegangspunt en 2) non-discriminatoire toegang tot de binnenhuisglasvezelbekabeling te realiseren.
Wat gaat er nu gebeuren
Hier is nog wel wat te doen dus. Interessant of er nog wijzigingen volgen in de wet- en regelgeving voor deze geïmplementeerd worden, of dat het wachten wordt op de eerste bezwaarprocedure bij nieuwbouw.
Inmiddels is de Raad van State ook teruggekomen op het wetsvoorstel, maar zij hebben de hiaten niet gevonden, laat staan hersteld. Sterker nog, in de terugkoppeling van 5 maart 2026 lezen we eigenlijk helemaal niets over artikel 10. De status van de aanpassing van de wetgeving vind je hier:https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026893.
Uiteraard betekent onjuiste wetgeving niet dat er geen sprake zal zijn van aanleg op de nieuwe manier. De ontwikkelaars van nieuw te bouwen appartementencomplexen zelf immers zelf vrij om andere keuzes te maken bij de inrichting. En dat zal een hoop bezwaren kunnen voorkomen. Inmiddels melden de eerste woningcorporaties zich bij ons om dit samen op te pakken. En uiteraard doen we dat graag.
5. Impact op de stakeholders in het proces
In dit hoofdstuk bespreken we één voor één de impact voor de stakeholders in dit proces. We gaan hierbij uit van de interpretatie van de verordening zelf en niet van de huidige voorgestelde versie van de Nederlandse regelgeving.
Gemeenten
Voor gemeenten zit de impact van artikel 10 van de GIA, vooral in het feit dat de vergunningsaanvragen voor nieuwbouw (en in sommige gevallen renovaties) van appartementencomplexen volgens de nieuwe regels getoetst moeten worden. Dit geldt al sinds 12 februari 2026. Toch is onze ervaring dat veel gemeenten nog maar zeer beperkt op de hoogte zijn van de nieuwe regels. Dit is deels het gevolg van het feit dat de Nederlandse wetgeving nog niet gereed is, maar feitelijk hoeft dat geen beperking te zijn want Europese Verordeningen gaan zoals eerder beschreven, boven nationale wetgeving. In de basis is hetgeen waar de vergunningsaanvraag op getoetst moet worden eenvoudig:
- Wordt de meergezinswoning uitgerust met glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur?
- Wordt de meergezinswoning uitgerust met binnenhuisglasvezelbekabeling?
- Worden alle appartementen in het complex uitgerust met een fysiek aansluitpunt?
- Wordt de meergezinswoning uitgerust met een toegangspunt waar alle dienstenaanbieders op aan kunnen sluiten?
Toch maakt het ontbreken van de nationale wet- en regelgeving dit het toetsen wel lastig. Want de normen en technische specificaties waarover gesproken wordt, zijn er nog niet en lijken er ook niet te gaan komen, als we de eerste concepten lezen van de aangepaste wet- en regelgeving.
Hoe nu verder dan voor gemeenten? Er lijken twee mogelijke werkwijzen die de afdeling Vergunningen kan hanteren.
- Toetsen volgens de oude standaard. Hierbij is het dan wel de vraag hoelang het gaat duren voor het eerste bezwaar gemaakt gaat worden. Indien iemand immers bezwaar aantekent op basis van de Europese verordening, zal deze uiteindelijk in het gelijk gesteld worden, maar hoeveel vertraging zal dit opleveren voor de woningbouw. En is dat niet juist één van de grote problemen waar het nieuwe kabinet mee aan de slag wil. Een onwenselijke situatie dus. Het is een kwestie van gokken, hoe groot de kans op bezwaarprocedures worden.
- Toetsen volgens de verordening. Maar dat is natuurlijk ook een uitdaging, want zonder norm en specificaties, zal de eigen interpretatie van de ambtenaar bepalen of er goedkeuring volgt of niet. Deze interpretatie kan in elke gemeente en zelfs bij elke beoordelend ambtenaar verschillend kunnen zijn. Ook niet wenselijk natuurlijk.
Het is duidelijk, het wordt kiezen uit twee kwaden en de tijd zal uitwijzen waar voor gekozen gaat worden. In ieder geval tot de nationale wet- en regelgeving is aangepast.
Woningcorporaties
Ook voor woningcorporaties kan de GIA gevolgen hebben. Zoals eerder uitgelegd moeten alle nieuwe appartementencomplexen immers een toegangspunt hebben waar verschillende dienstenaanbieders op aan kunnen sluiten. Er zijn tal van invalshoeken te bedenken waar dit voor woningcorporaties impact kan hebben. Ik belicht er hier twee.
Goedkoper internet voor bewoners
Wanneer de woningcorporatie conform de verordening zelf het aansluitpunt, de glasvezels en het invoerpunt realiseert bij de bouw, kunnen zij ook zelf dienstenaanbieders benaderen om het appartementencomplex te ontsluiten. De dienstenleverancier kan dan zelf een eigen glasvezel naar het pand toe graven en hoeft geen huur te betalen voor het gebruik van de glasvezels naar ieder appartement. Dit kan de bewoners 20 tot 30 euro per maand schelen.
De woningcorporatie kan zelfs voor kiezen om de internetaansluiting voor de bewoners af te rekenen via de servicekosten. Iedere bewoner krijgt daarmee standaard de hoge snelheid internetverbinding en kiest zelf bijvoorbeeld zijn eigen streamingdiensten of vaste telefoniedienst bij een aanbieder naar keuze. Deze diensten draaien dan over de internetverbinding heen. Dit noemen we ook wel OTT (Over the Top) diensten. Ook kan op deze manier internettoegang centraal geregeld worden in gemeenschappelijke of juist moeilijk toegankelijke ruimtes zoals de kelder of een gemeenschappelijk dakterras.
Extra rol als beheerder van het glasvezelnetwerk
In de situatie dat de woningcorporatie zelf het aansluitpunt, de glasvezels en het invoerpunt realiseert bij de bouw, is zij vanzelfsprekend ook de eigenaar van deze infrastructuur. Dit betekent dat de woningcorporatie ook een nieuwe rol krijgt als verantwoordelijke voor het beheer van en de toegang tot deze infrastructuur. Er zal dus ook iets geregeld moeten gaan worden voor bijvoorbeeld herstelwerkzaamheden in geval van schade. Dit kun je vergelijken met het repareren van de lift in een appartementencomplex als deze het niet meer doet. Er zijn voldoende bedrijven in de markt die dit soort beheer- en onderhoudscontracten vandaag de dag ook al leveren. Ons advies: kies als woningcorporatie voor een lokaal bedrijf voor dit soort contracten. #supportYourLocals
Vereniging van Eigenaren
Eigenlijk geldt voor VvE’s hetzelfde als voor woningcorporaties. Ook zij kunnen wanneer ze zelf eigenaar worden van de infrastructuur, afspraken maken met dienstenaanbieders. Wellicht dat VvE-beheerders hier een rol in kunnen spelen zodat niet elke VvE zelf afspraken hoeft te maken. Mooi zou zijn als dit ook per gemeente gecoördineerd kan worden. De nieuwe wijze van
aansluiten kan ook een ander probleem oplossen. Vandaag de dag gebeurt het regelmatig dat VvE’s geen toestemming geven voor het aansluiten van glasvezel. Bang voor gedoe, het werkt nu toch ook, ik heb het zelf niet nodig, allemaal redenen die daar aan bij kunnen dragen. Wanneer de infrastructuur van de VvE blijft, zal de weerstand om de aanleg toe te staan, wellicht kleiner worden. Uiteraard nog wel de vraag wie dan de aanleg wil bekostigen. Bij nieuwbouw kan dit immers tegen relatief lage kosten per appartement worden toegevoegd, maar bij renovatie of wellicht zelfs als zelfstandig project is dit lastiger te financieren.
Projectontwikkelaars
Ook voor projectontwikkelaars verandert er wat. Bij het ontwerpen van het appartementencomplex moet immers rekening gehouden worden met een invoerpunt en een plek waar alle vezels vanuit de appartementen worden afgemonteerd. In telco-taal noemen we dit ook wel een ‘meet-me ruimte’. Ook zal er een installateur moeten worden ingeschakeld om de glasvezels door het inpandige leidingnetwerk te trekken en af te monteren in het appartement én in de ‘meet-me’ ruimte. Deze ruimte moet voor de beheerder van de infrastructuur 24×7 toegankelijk zijn. Allemaal zaken waar rekening mee moet worden gehouden tijdens de ontwikkeling van een nieuw appartementencomplex.
Notarissen
Wist je dat er voorheen soms een Recht van Opstal op het leidingnetwerk in een appartementencomplex werd gevestigd, voordat telecomaanbieders er glasvezels doorheen trokken naar elk individueel appartement. Het gevolg van de GIA is dat dit opstalrecht na 12 februari 2026 nooit meer gevestigd mag worden. Ook voor notarissen verandert er dus iets als gevolg van de GIA.
De vraag is dan wel wat er gebeurt met de reeds bestaande opstalrechten. De Europese verordening geeft wel aan wat de rechten van marktpartijen zijn bij gebrek aan beschikbare glasvezelklare fysieke binnenhuisinfrastructuur. Het is wachten op het eerste moment dat een aanbieder zich op deze rechten beroept, want de verordening geeft nog geen duidelijkheid over hoe dit opgelost moet gaan worden.
6. Onze visie op artikel 10 in de hoogbouw
Genoeg theorie: hoe nu verder. Hoe kunnen we de Europese verordening en het gedachtengoed dat er aan ten grondslag ligt dan wel ten volle benutten.
Hoe gaat dit werken
Onze visie op artikel 10 is niet heel complex. Binnenhuis infrastructuur blijft altijd het eigendom van de eigenaar van het pand. Dat kan dus een woningcorporatie zijn of een andere verhuurder, maar ook een VvE.
De pandeigenaar bepaalt zelf welke dienstenaanbieder hij binnenlaat. Dat kan de gevestigde orde zijn, zoals KPN, Ziggo, Delta of ODF, maar het kan ook een kleine lokale speler zijn. En natuurlijk kunnen het ook meerdere spelers zijn.
Vanuit netwerkperspectief is het demarcatiepunt van de pandeigenaar:
- aan de woningzijde, de FTU die de eigenaar heeft laten installeren en
- bij het toegangspunt onderin het pand, het patchpaneel waar alle vezels op afgemonteerd zijn
In de ruimte waar dit patchpaneel is gemonteerd, is ruimte voor meerdere dienstenaanbieders om apparatuur te plaatsen en van stroom te voorzien. De ‘meet-me ruimte’.
Dienstenaanbieders zorgen zelf voor de verbinding vanaf hun netwerk naar de ‘meet-me ruimte’..
De pandeigenaar is verantwoordelijk voor deugdelijke procedures rondom het patchen in de ‘meet-me ruimte’.
Netwerkeigenaar, belichter en aanbieder
Om internet te kunnen leveren zijn drie dingen nodig: een fysiek netwerk, een partij die dat netwerk belicht, en een partij die er diensten overheen levert. Soms is dat één partij, vaak zijn het er drie.
| Laag | Wat het is | Wie dat is |
|---|---|---|
| Netwerkeigenaar | Het passieve netwerk: de glasvezel in het gebouw, zonder apparatuur | Straks de pandeigenaar: de woningcorporatie, de VvE of de belegger |
| Belichter | Zet met eigen apparatuur in het distributiepunt licht op de vezel | Een partij die ook de verbinding naar buiten regelt |
| Aanbieder | Levert internet, televisie en telefonie over die belichting | Het merk waar de bewoner klant van is |
Met artikel 10 verandert alleen de eerste laag. Het passieve netwerk wordt van het gebouw; de en de aanbieder blijven wat ze zijn. Wat Integrio doet, is zorgen dat de administratie van die eerste laag op orde blijft: welke vezel op welk moment door wie wordt gebruikt.
Backhaul: één verbinding voor het hele gebouw
Een belichter die in het gebouw levert, heeft een verbinding nodig van het distributiepunt naar zijn eigen datacenter. Dat heet de . Die ene vezel bedient alle woningen die via die belichter internet krijgen, of het er nu zeventig zijn of tweehonderd. De kosten ervan worden dus over alle aansluitingen verdeeld, en daarom kan internet in een gebouw met een eigen netwerk goedkoper.
Aanleg inpandig
Het grootste en meest ingrijpende deel van het aanleggen van de binneninfrastructuur in een meergezinswoning is het aanleggen van het netwerk met loze leidingen in het verticaal segment. Deze aanleg vindt vandaag de dag ook al plaats voor rekening en risico van de pandeigenaar.
Het is dan ook maar een kleine stap om ook het laatste stuk te realiseren. Dit bestaat uit 3 onderdelen:
- het plaatsen van een Fiber Termination Unit (FTU) in de meterkast van elk appartement;
- het plaatsen van een patchpaneel in de meet-me ruimte;
- het trekken van glasvezel door de loze leidingen en het afmonteren aan beide kanten.
Als dit gedaan is, zou het gebouw het ‘glasvezel klaar’ certificaat hebben, als dat er ooit komt. Het gebouw is klaar voor de dienstenaanbieders, zonder dat deze nog in het verticale segment aanwezig hoeven te zijn.
Integrio helpt woningcorporaties en projectontwikkelaars bij de realisatie van deze infrastructuur. Hierbij gebruiken we de kennis uit de praktijk bij het gebrek aan gestelde normen en technische specificaties om te voorkomen dat er verkeerde keuzes worden gemaakt. Ook kunnen we de complete realisatie voor u regelen: wij sturen de partijen aan die het werk doen, tegen een vooraf afgesproken prijs per woning. Voor meer informatie, neem contact op met ons op gia@integrio.nl.
Netwerk Onafhankelijke Patch Administratie (NOPA)
Als het netwerk er eenmaal ligt, moeten er procedures worden afgesproken over het patchen in de ‘meet-me ruimte’. Daarbij is het belangrijk om te registreren welke dienstenaanbieder welke vezel gebruikt. Op die manier kan eventueel huur berekend worden, maar kan ook ‘slamming’ worden voorkomen. Bij slamming worden klanten zonder toestemming omgezet van de ene dienstenaanbieder naar de andere.
Door gebruik te maken van de Netwerk Onafhankelijk Patch Administratie () van Integrio, voorkomt een pandeigenaar dat. Alle dienstenaanbieders sluiten aan op de API van Integrio NOPA, zodra ze toestemming hebben om diensten in een bepaald pand te leveren. Door gebruik te maken van de API, kunnen ze informatieverzoeken, patch- en depatch opdrachten indienen bij Integrio.
Informatieverzoeken geven de status van de vezel(s) van appartementen (in gebruik, gereserveerd, beschikbaar, binnenkort beschikbaar). Met deze informatie kunnen patch verzoeken worden ingediend. In het geval een depatch verzoek loopt, kan deze informatie meegegeven worden in het informatieverzoek.
Als een patchverzoek is geaccepteerd in NOPA, zal Integrio zorgen dat de partij die door de pandeigenaar is ingehuurd om de patch te plaatsen, deze opdracht tijdig binnenkrijgt en kan bevestigen na uitvoering. Op die manier is voor iedereen duidelijk hoe de vezels worden gebruikt.
Meer weten over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een patchadministratie? Neem contact met ons op via gia@integrio.nl.
Beheer en onderhoud
Net als de lift in een appartementsgebouw zal ook het passieve deel van de gigabit infrastructuur door de eigenaar onderhouden moeten worden. Niet per definitie heel complex, maar wel belangrijk. Dit gaat bijvoorbeeld over herstelwerkzaamheden van de FTU of het patchpaneel als daar schade aan opgetreden is, of zelfs herstel van de glasvezel als een bewoner er doorheen boort.
Ook hier kan Integrio faciliteren. Wij kunnen ofwel het beheer en onderhoud voor u regelen middels een beheer- en onderhoudscontract waarbij we binnen een werkdag de herstelwerkzaamheden starten, of zelfs sneller. Ook kunnen we het claimmanagement uit handen nemen voor de gevallen dat de schade verhaald moet worden. En natuurlijk zijn wij ook het aanspreekpunt voor de dienstenaanbieders als zij problemen ervaren met de binnenhuis infrastructuur.
Alles om u te ontzorgen en de impact voor u als eigenaar te minimaliseren.
Meer weten over beheer en onderhoud van een glasvezelnetwerk? Neem contact met ons op via gia@integrio.nl.
Integrio als katalysator
Bij Integrio vinden wij de Gigabit Infrastructure Act een goede ontwikkeling. We willen daarom de komende jaren alles op alles zetten om de nieuwe wijze van aanleggen van netwerken conform de nieuwe standaard een succes te maken.
Wij denken dat lokale dienstenaanbieders hierin een belangrijke rol kunnen gaan vervullen. In Lelystad een dienstenaanbieder uit Lelystad, in Almere één uit Almere en in Hengelo één uit Hengelo. Maar niet alle lokale partijen kunnen direct alle gaten invullen die ontstaan wanneer er volgens de GIA gewerkt gaat worden. Daarom hebben wij het nieuwe GIA portfolio ontwikkeld. Dit bestaat uit:
- Hulp bij de aanleg van de binnenhuisinfrastructuur
- Hulp bij de patchadministratie
- Hulp bij het beheer en onderhoud
Begeleiding bij de aanleg NOPA, met beheer en onderhoud
Wij werken voor woningcorporaties en VvE’s, maar ook voor de dienstenaanbieders. Elk model is mogelijk en kan in vele varianten geïmplementeerd worden. Eerst een gesprek met één van onze GIA experts kan natuurlijk ook.
Maar het doel is altijd hetzelfde: slimmer en goedkoper internet in appartementencomplexen. Daar staan wij voor. Wij zien onszelf dan ook als katalysator voor de GIA.
7. Samenvatting
In dit schrijven proberen we duidelijkheid te verschaffen op artikel 10 van de Gigabit Infrastructure Act. Een Europese verordening die in potentie, wanneer deze goed geïmplementeerd wordt kan bijdragen aan een slimmer en goedkoper internet in appartementencomplexen.
De GIA draagt bij aan het voorkomen van mini-monopolies van internetaanbieders in hoogbouw. Dit vinden wij een goede ontwikkeling. Bij Integrio werken mensen met meer dan 25 jaar ervaring in de telecom markt voor consumenten. Ooit bestond alleen de PTT en was telefonie een echte NUTS voorziening. We hebben gezien hoe de markt liberaliseerde en de toezichthouder zich van zijn beste kant liet zien. We hebben glasvezelnetwerken gebouwd zien worden met als gevolg weer een hele nieuwe status quo waar ook de toezichthouder zich geen raad mee wist. Het gevolg: vandaag de dag is er weinig echte concurrentie. De markt wordt bepaald door partijen met diepe zakken die proberen ergens als eerste glasvezel aan te leggen, zodat zij in dat gebied een klein monopolie creëren.
Dit handdoekje leggen kunnen we met de GIA onder de arm doorbreken. In de nieuwe situatie is de binnenhuisglasvezel-infrastructuur van de woningcorporatie of de VvE. Alle dienstenaanbieders mogen hun diensten leveren, maar de eigenaar blijft de baas in eigen pand.
Pandeigenaren kunnen kiezen voor lokale dienstenaanbieders en kunnen tijdens de toetredingsbesprekingen, eisen stellen over de tarieven die de bewoners gaan betalen. Ook kunnen afspraken gemaakt worden over bijvoorbeeld WiFi in gemeenschappelijke ruimtes.
Er zijn vandaag de dag ook al situaties waarin kleinere netwerkaanbieders in plaats van de grote partijen het netwerk in hoogbouw voor eigen rekening en risico aanbieden. Deze situatie heeft al een aantal voordelen ten opzichte van de oude situatie, omdat er bijvoorbeeld al wel eisen gesteld kunnen worden aan de bedragen die de bewoners maandelijks moeten betalen. Toch is deze situatie niet wenselijk. We lopen namelijk het risico dat als zo’n kleine netwerkaanbieder te groot wordt, dat deze wordt overgenomen door de grote spelers. En dan zijn we weer terug bij af. Daarom is het belangrijk dat de binnenhuisglasvezel-infrastructuur echt van de pandeigenaar blijft. Zij bepalen wat er met de infrastructuur gebeurt en niemand anders.
Het is een ambitieus plan, maar het wordt gesteund door de Europese Unie. De missende bouwblokken om dit plan te realiseren, vullen we vanuit Integrio in waar nodig. Op deze manier nemen we alle drempels weg om conform GIA internet in hoogbouw te realiseren. Net zo lang tot de nieuwe manier de standaard is. En er meer Integrio’s zijn ontstaan, dan is onze missie volbracht.
Natuurlijk houden we ook onze Rijksoverheid goed in de gaten. Deze pagina’s zullen dan ook zo nu en dan van nieuwe informatie worden voorzien.
Wil je overleg met onze experts of met de schrijvers van onze GIA pagina’s? Neem dan contact op met ons op gia@integrio.nl
Lelystad, 5 maart 2026
