Is internet een nutsvoorziening? Als je deze vraag aan Google stelt, krijg je tegenwoordig een mooi, door AI gegenereerd antwoord terug.
“Ja, internet wordt steeds vaker gezien als een nutsvoorziening, net als water, elektriciteit en gas. Hoewel het niet officieel een “nutsvoorziening” is in de strikte juridische zin, wordt het wel steeds meer als een essentiële dienst beschouwd, cruciaal voor deelname aan de samenleving en economie.”
Nu ben ik het volledig eens met het deel van de formulering van de essentiële dienst, maar bij de rest van de formulering plaats ik, net als Google AI, wat kanttekeningen. Zoals mijn geschiedenisleraar vroeger al zei, kun je het heden beter begrijpen als je het verleden kent. Om die reden duiken we nog even in het verleden van de netwerken in Nederland.
Als je in 1880, de periode dat de eerste telefoonverbindingen in Nederland werden gerealiseerd, infrastructuur voor telefonie wilde aanleggen, moest je daarvoor al een vergunning aanvragen bij het Rijk. Onderdeel van deze vergunning was het voorrangsrecht op overname van de infrastructuur waar de vergunning voor afgegeven was. Dit voorrangsrecht gaf de overheid een optie om het netwerk ooit in de toekomst te kopen. De netwerken waren in eerste instantie dus niet in overheidshanden. In 1897 nam het Rijk op grond van het eerdergenoemde voorrangsrecht, het interlokale telefoonnetwerk van de eerste Nederlandse telefoonmaatschappij, de NBTM over en in 1913 begon het Rijk met het overnemen van de lokale telefoonnetten. De overheidsdienst die de vergunningen uitgaf, werd in 1915 omgevormd tot het Staatsbedrijf der Posterijen en Telegrafie welke op haar beurt in 1928 werd omgedoopt tot Staatsbedrijf der Posterijen, Telegrafie en Telefonie, de PTT.
Alle lokaal aangelegde netwerken behalve die van Rotterdam, Amsterdam en Den Haag waren op dat moment al van het Rijk. De laatste 3 waren te duur gebleken voor het Rijk om over te nemen. In 1940 werden ook de laatste 3 netwerken door de Duitse bezetter toegevoegd, waarna de Duitsers ook meteen de PTT verzelfstandigden. De verzelfstandiging werd meteen na de oorlog weer teruggedraaid, maar de overname van laatste 3 zelfstandige lokale netwerken is nooit meer teruggedraaid. Daarmee was voor het eerst het complete telefonienetwerk in Nederland in handen van het Rijk. Volgens de oude Telecomwet bleef het mogelijk dat het Rijk een concessie zou verlenen aan een derde om een telefonie- en telegraafnetwerk aan te leggen, maar deze concessies zijn na 1945 nooit meer verleend. De PTT had sindsdien in de praktijk dus het alleenrecht, maar kreeg daarmee ook de verplichting om telefoonkabels aan te leggen naar alle woningen in Nederland. Toen in 1989 de PTT privatiseerde, bleef dat ook zo. De verplichting tot aanleggen bleef weliswaar nog even gehandhaafd, maar de KPN was geen staatsbedrijf meer.
Bij het coaxkabel netwerk, zijn een hoop parallellen te zien. Deze netwerken werden in eerste instantie ook lokaal aangelegd alleen begon dit wel veel later. Vanaf 1970 kon een machtiging worden aangevraagd voor de aanleg en exploitatie van een gemeenschappelijke antenne-inrichting (een gai, een televisienetwerk bestemd voor een kleine groep woningen) of voor de aanleg en exploitatie van een centrale antenne-inrichting (cai, een televisienetwerk bestemd voor wijken, plaatsen of hele gemeenten). Een gai mocht in principe niet groter zijn dan 100 aansluitingen en na het kruisen van een weg mocht het signaal niet meer worden versterkt. Een cai was beperkt tot de gemeentegrens. Gedurende de jaren 70 en 80 werden in vrijwel alle gemeenten één of meer kabelnetten aangelegd; maar per aansluitgebied werd slechts één machtiging aan een woningcorporatie, gemeente of bedrijf verleend. Geleidelijk aan kwamen de kabelnetten in exploitatie bij gemeentelijke diensten. Vaak doordat woningcorporaties hun gai’s overdroegen aan gemeenten. Halverwege de jaren 90 verkochten de meeste gemeentes op hun beurt de televisienetwerken aan private kabelbedrijven. Er moest flink geïnvesteerd worden in de netwerken en de gemeentes hadden daar gewoonweg de middelen niet voor. Deze investeringen leidden er ook toe dat het netwerk veranderde van een broadcast-infrastructuur tot een volwaardige infrastructuur waarop ook tweeweg communicatie mogelijk werd. En zo ontstond een tweede netwerk in ieder huis waarop internettoegang mogelijk was. En ook deze was in handen van private marktpartijen.
Binnen een periode van 10 jaar, was de overheid de controle over de communicatienetwerken volledig kwijt. De vrije marktwerking nam het over en alleen de schijn van nutsvoorziening bleef.
Maar hoe kan internet dan nog een nutsvoorziening genoemd worden? Geen partij heeft de verplichting een communicatiekabel aan te leggen naar alle woningen in Nederland en de netwerkeigenaren zijn al jaren private bedrijven met een winstoogmerk.
Bedrijven die netwerken aanleggen, gedragen zich dus helemaal niet als een nutsleverancier. De enige reden dat we internet in één adem noemen met elektra en water als we het hebben over nutsvoorzieningen, is dat we internet als een cruciale dienst zien. Maar eigenlijk is internet beter te vergelijken met eten en drinken. Weliswaar cruciaal, maar een basisbehoefte die mensen zelf regelen.
Dit zagen we in Nederland natuurlijk ook en dat is dan ook de reden geweest dat we de overheid vanaf de tijd van privatisering van de PTT, het moment dat de overheid het eigendom overdroeg van het kopernetwerk dat op dat moment naar alle huizen in Nederland liep, eisen heeft gesteld aan de wijze waarop de netwerken gebruikt mochten worden. Het begin van de regulering.
Met de introductie van glasvezel vanaf 2005, ontstaat er op steeds meer plaatsen een goed alternatief voor het oude kopernetwerk. Glasvezel wordt in eerste instantie door nieuwkomers aangelegd. In Nuenen wordt een Coöperatie opgericht die het merendeel van de huizen in de gemeente aansluit op glasvezel. Eén van de lening verstrekkers is de holding van Reggeborgh, waar ook aannemer Volker Wessels onder valt. In 2008 wordt Reggefiber opgericht, een joint venture van Reggeborgh en KPN. De aanleg van glasvezel naar woningen komt hiermee in een stroomversnelling. Logischerwijs besloot de overheid op een gegeven moment om de verplichting om een koperkabel naar elke woning te leggen te laten vervallen.
Er is sinds dat moment dan ook geen enkele partij verplicht om alle huizen van wat voor netwerkkabel dan ook te voorzien. Dit laten we over aan de markt. En logischerwijs resulteert het winstoogmerk van marktpartijen erin, dat partijen graag glasvezel naar binnen brengen waar dit relatief goedkoop is, maar de duurdere plekken, liever overslaan. In goedkope gebieden leidt dit er soms zelfs toe dat er 2 glasvezels van verschillende netwerkeigenaren naar een woning worden gebracht, terwijl in duurdere gebieden niets wordt aangelegd. Soms wordt de bewoners van de duurdere gebieden gevraagd om zelf een eenmalig bedrag mee te betalen om de aanleg betaalbaar te maken. Pas als een kabel uiteindelijk bij een huis naar binnen is gebracht, ontstaat er op die kabel een gezonde vorm van concurrentie met verschillende aanbieders. Uiteraard geldt dit niet voor de kabel van Ziggo, want Ziggo staat geen concurrentie toe op haar netwerk. Maar op de glasvezelkabel in huis geldt dat wel. En tussen de aanbieders op de glasvezelkabel en Ziggo uiteraard ook. De ene aanbieder wil de goedkoopste zijn, de ander de meest complete en weer een ander de leukste, waar iedereen bij wil horen.
Die concurrerende aanbieders op glasvezel, hebben echter één ding gemeen, ze huren de netwerkkabel van de partij die het voor elkaar heeft gekregen, om met zijn kabel binnen te komen in de woning. En die netwerkeigenaar is in Nederland in nagenoeg alle gevallen een commerciële marktpartij. Een partij die winst probeert te maximaliseren. En dat is dan de basis van wat wij hier de nutsvoorziening noemen. “Een essentiële dienst of infrastructuur die nodig is om een woning of huishouden te laten functioneren.”
Je zou kunnen denken dat bovenstaande een goede reden zou zijn voor Europa om zich er mee te gaan bemoeien. Immers, op deze manier ontstaat er geen eerlijk speelveld. Er is wel marktwerking in Nederland, maar eigenlijk alleen op diensten niveau. Op netwerk niveau bestaat er eigenlijk een monopoly. Partijen in Nederland die het aandurven om de zeer competitieve internet providermarkt te betreden, zijn overgeleverd aan de netwerkeigenaren. Die partij die het voor elkaar heeft gekregen om als eerste glasvezel aan te leggen in een straat, wijk of stad, kan deze verbinding naar eigen inzicht exploiteren. En dat doen ze dan ook op verschillende manieren. Zo kiest Ziggo ervoor om helemaal geen concurrentie toe te staan op het netwerk. Partijen als Delta staan wel concurrenten toe, maar die moeten dan wel een belichte glasvezel huren. Nieuwe toetreders ervaren de huur van deze belichte vezel als hoog, zeker wanneer ze het vergelijken met het huismerk van Delta zelf. Dan is er nog KPN, op de oudere gebieden is het wel mogelijk om vezels van wijkcentrale naar woning onbelicht te huren, maar deze contracten worden nog maar zelden aangegaan door KPN. En op nieuwe gebieden worden de wijkcentrales zo gebouwd, dat het niet meer mogelijk is om zelf belichtingsapparatuur te plaatsen.
Zoals ik al schreef, voldoende reden voor Europa om zich te mengen in deze meervoudige monopoly’s zoals ik ze graag noem. Toch is dit niet de reden dat er op Europees niveau naar de hoge snelheid netwerken is gekeken. Want heel eerlijk, zo slecht is het in Nederland eigenlijk niet. Een hoog percentage van inwoners en bedrijven hebben immers al toegang tot deze netwerken. Nee, de reden is eigenlijk geweest omdat er Europese lidstaten zijn, waar toegang tot hoge snelheid internet veel minder vanzelfzelfsprekend is. Toch zullen er ook in die landen netwerken worden aangelegd.
De Europese verordening heeft als doel het verlagen van de kosten van de uitrol van deze hoge snelheid internet aansluitingen en staat bekend onder de naam Gigabit Infrastructure Act (GIA). In de GIA worden aan de Europese lidstaten meerdere maatregelen opgelegd die vertaald moeten gaan worden in nationale wetgeving.
wilt u meer lezen over de Europese verordening? Lees dan: GIA de Europese verordening